Elke dag krijgen in ons land 3 mensen te horen dat ze seropositief zijn. Jaarlijks duizend mensen voor wie de wereld plots stil blijft staan. Daarvoor de ogen sluiten, is kortzichtig en onverantwoord. Terwijl het preventiebeleid de laatste jaren achterwege blijft, stijgt het aantal opgelopen seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA’s) én de onwetendheid.
Meer dan de helft van de jongeren gaf onlangs in een onderzoek te kennen geen condoom te hebben gebruikt bij hun laatste los contact – seks zonder relatie. Binnen een relatie loopt dit op tot 85 procent bij meisjes en 58 procent bij jongens. Een steeds groter wordende groep mensen verkeert onterecht in de overtuiging dat AIDS behandeld kan worden, en dat één keer zonder condoom wel niet al te erg is. De verkoop van condooms kent in ons land de laatste jaren een terugval (tot 7 procent per jaar) bij alle producenten.
Veilig vrijen wordt al te vaak alleen geassocieerd met preventie op school voor jongeren tussen 12 en 14 jaar. Zij vormen een belangrijke doelgroep die niet in vraag moet worden gesteld. Maar er is een dringende nood aan nieuwe algemene campagnes om het onderwerp opnieuw onder de aandacht te brengen en bespreekbaar te maken. In Vlaanderen is het preventiebeleid hoofdzakelijk in handen van SENSOA, dat zich de laatste tijd steeds defensiever opstelt. SENSOA is een samenwerking van verschillende verenigingen, die kan rekenen op de steun van de Vlaamse overheid.
Het was Inge Vervotte (CD&V) die als Vlaams minister van Gezondheidsbeleid het beleid voor de periode 2004-2009 moest uittekenen. Het is algemeen geweten dat voor Vervotte mensen aanzetten tot veilig vrijen geen prioriteit was. De minister richtte zich prioritair op specifieke doelgroepen (ondermeer via het glossy gaymagazine Bend), en rekende voor (nieuwe) initiatieven volledig op SENSOA. In het beleidsplan preventief gezondheidsbeleid van haar opvolger Steven Vanackere was een preventiebeleid voor seksueel overdraagbare aandoeningen of HIV ook al niet het vermelden waard.
Doelgroepen
Het doelgroepenbeleid is een goed initiatief dat toelaat zich beter te richten op bepaalde risicogroepen. Het stopzetten ervan zou zonde zijn. Wel moet de samenwerking met andere organisaties zoals prostitutie, straathoekwerkers, homosauna’s… geïntensiveerd worden.
Het doelgroepenbeleid kan wel als gevolg hebben dat andere groepen helemaal worden vergeten (zoals studenten). Of dat de informatie zich teveel beperkt tot een aantal SOA’s, en dat anderen helemaal vergeten worden. Zo blijkt de kennis van HIV bij jongeren al bij al nog mee te vallen, maar is de kennis over andere SOA’s zeer beperkt.
43 procent van de jongeren geeft aan dat de reden voor het niet gebruiken van een condoom ligt bij het niet bij de hand hebben, 37 procent was onder invloed van drank of drugs, en 21 procent had er simpelweg niet aan gedacht! Grootschalige campagnes kunnen veilig vrijen niet alleen bespreekbaar maken. Ze kunnen ook helpen om de schroom te overwinnen om condooms te kopen, of om hulp te zoeken. Uit onderzoek van de Nederlandse Schörer-Stichting blijkt dat jongeren die niet in de stad wonen niet alleen minder kennis hebben over SOA’s, maar ook minder over seks spreken en het moeilijker vinden om condooms te kopen. Extra middelen voor preventie kunnen via de goede werken van de Nationale Loterij worden gevonden.
Bij testen op SOA’s wordt het nog erger. Testen bevinden zich op de grens tussen het preventieve en curatieve gezondheidsbeleid, en dus tussen de gemeenschappen en de federale overheid. Niet alleen is de kennis van andere SOA dan HIV ontoereikend, heel wat jongeren durven de stap naar de dokter niet zetten. Omdat voor heel wat mensen een bezoek aan de huisarts te gevoelig ligt, moet geïnvesteerd worden in één centrum per provincie waar mensen enkele uren per week terecht kunnen bij een dokter (een veneroloog, een specialist in geslachtsziektes). Brussel kent reeds zo’n centrum, het Elisa-centrum, waar men terecht kan voor een anonieme en gratis HIV-test. Bovendien moet bij elk bezoek aan de huisarts of ziekenhuis aan de verschillende doelgroepen automatisch een test worden voorgesteld.
Brussel
Brussel mag daarbij niet de rekening betalen van de institutionele woestenij van bepaalde staatshervormingen. Het preventieve gezondheidsbeleid is een bevoegdheid van de gemeenschappen terwijl de gemeenschapscommissies aanvullende normen kunnen vastleggen ten aanzien van instellingen, en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie ten aanzien van personen mits deze de seksuele gezondheid van beide gemeenschappen aanbelangt.
De Nederlandstalige Brusselse politici moeten dan ook toegeven dat in de hoofdstad een beperkt preventiebeleid wordt gevoerd. De beperkte acties die door Brigitte Grouwels (CD&V) worden georganiseerd, richten zich vooral op mensen bij wie de ziekte reeds uitgebroken is. De geslotenheid en beperkte informatie van de welzijns- en gezondheidsraad doet vermoeden dat er niet al te veel zal gebeuren. Dat de taal der liefde universeler is dan het Frans en het Nederlands, zou Brussel moeten aanzetten om gemeenschappelijke acties op poten te zetten. Nog beter is het in overweging nemen om het preventieve gezondheidsbeleid op bepaalde gebieden te herfederaliseren. Gezondheidsbeleid is niet alleen universeel, ze is ook nauw verbonden met volksgezondheid, en steeds meer, met het grootstedenbeleid.
Als het herfederaliseren van een bevoegdheid om mensen echt te helpen dan toch zo gevoelig ligt in een partij als CD&V, moet dringend werk worden gemaakt van een samenwerkingsakkoord ‘seksuele gezondheid’ tussen alle gemeenschappen. Kennis en middelen zijn nog te veel verspreid, hoewel dematerie toch zo belangrijk is.



