h1

Brusselse Vlamingen

juli 15, 2008

Ik moet ook altijd lachen met de Brusselse Vlamingen, die een identiteitsprobleem hebben, maar dat ze al jarenlang geen boekhandel meer hebben die kan tippen aan Tropismes (Franstalige boekhandel in de Prinsengalerij), daar liggen ze niet van wakker. Als ze maar goed kunnen eten in De Warande en daar een hoge borst opzetten.

Dorian van der Brempt, directeur van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in Brussel, in Knack.

h1

Vlamingen zijn racistisch. Un Wallon qui travaille?

juli 11, 2008

(version française ci-dessous)

Vlamingen zijn racistisch

De Vlaming is ondernemend en woont in Antwerpen. De Vlaming is gereserveerd, afstandig en gaat vroeg slapen, want de Vlaming werkt. De Vlaming is flamingant, gaat op zondag naar de mis, staat met vendels te zwaaien aan de Ijzertoren en is, het moet gezegd, racist. De Vlaming spreekt perfect Frans alhoewel hij dat weigert te doen in Brussel.

De Waal woont in Charleroi en is meer zat dan nuchter. Laat zich liever omkopen dan hij werkt. Werk heeft hij trouwens niet, hoe zou het ook, hij is incompetent. De Waal draagt een strik en interesseert zich alleen in Vlaanderen als het om zijn werlkoosheidsvergoeding gaat of om er Frans te spreken aan de Kust.
Duitstaligen, wat zijn dat?

Clichés denkt u? Het is het beeld dat de gemeenschappen dagelijks van elkaar ophangen in de media, op school of tussen vrienden. Maar wie heeft kennissen aan de andere kant van de taalgrens? Slechts weinigen. De vaststelling is eenvoudig: we kennen elkaar niet meer. Clichébeelden versterken dat alleen maar. Hoe kan men een goed beleid voeren of bedrijf runnen als men zich steeds moet baseren op veronderstellingen? Het is onoverkomelijk dat het politiek beleid hier niet onder te lijden zou hebben.

Om de slagkracht van het beleid te versterken, om zich eindelijk te kunnen richten op de maatschappelijke uitdagingen en om een grotere gemene deler tussen de bevolking te hervinden moet de stabiliteit in het land worden hersteld door komaf te maken met een politiek van stereotypen.

De aanstelling van een staatssecretaris voor intercommunautaire samenwerking, toegevoegd aan de Eerste Minister, is noodzakelijk. Een staatssecretaris die bruggen bouwt tussen het beleid van de gemeenschappen en anderzijds zij die sociale, economische of culturele verantwoordelijkheid dragen samenbrengt. Zijn belangrijkste opdracht ligt in het aanmoedigen van samenwerkingsakkoorden, zonder zich te moeien in het beleid van de gemeenschappen. De federale regering heeft immers terecht geen enkele supprematie over het beleid van de deelstaten. De staatssecretaris probeert de intercommunautaire samenwerking te stimuleren door beleidsverantwoordelijken regelmatig uitnodigen om bijvoorbeeld Europese dossiers op elkaar af te stemmem. Bij nieuwe dossiers zou in alle beleidsdomeinen een zekere reflex moeten kunnen ontstaan om na te gaan of een zekere meerwaarde zou kunnen liggen in het samenwerken met een of meerdere gemeenschappen.
Daarnaast zou deze staatssecretaris evenementen kunnen organisereren of stimuleren waarbij Duitstaligen, Franstaligen en Nederlandstaligen elkaar ontmoeten, ervaringen uitwisselen en elkaars cultuur beter leren kennen. We denken hierbij aan het versterken, of het heropbouwen, van de culturele samenwerking om uitwisselingen tussen scholen, musea… mogelijk te maken.

Om dit project te laten slagen zijn twee andere uitdagingen onontbeerlijk: een hervorming van de instellingen van de Franse Gemeenschap en de overvloed aan verkiezingen. De instellingen van de Franse gemeenschap kunnen simpeler worden georganiseerd en de verdeling van de bevoegdheden tussen het gewest en de gemeenschap gerationaliseerd. Zo ligt het voor de hand dat het activeren van werklozen sterk samenhangt met onderwijsbeleid. Op dit soort bevoegdheden zouden “super Ministers” moeten worden benoemd die zowel voor het beleid van het gewest en de gemeenschap kunnen instaan. Op deze manier kan niet alleen een meer coherente visie worden ontwikkeld, maar wordt het aantal ministers die moeten worden uitgenodigd om het beleid van de gemeenschappen op elkaar af te stemmen voor een bepaald project, sterk verminderd. Deze keuze voor een betere structuur van de instellingen komt natuurlijk volledig toe aan de Franstalige politieke actoren.
Daarnaast kan het niet langer dat elk jaar verkiezingen het beleid verlammen en moet het verschil tussen wat de deelstaten doen en wat door de federale regering gebeurt sterker in de verf worden gezet. Zo mag het niet langer mogelijk zijn om kandidaat te zijn voor én het federale én het deelstatelijke Parlement. Op deze manier moeten onze ministers minder bezig zijn met hun populariteit en meer bezig met hun beleid, en dus ook met het nagaan van de mogelijke voordelen van een intercommunautaire samenwerking.

De aanstelling van een staatssecretaris voor intercommunautaire dialoog gaat niet om meer of minder België, maar om het verhogen van de efficiëntie en de samenhang van onze politiek, om het beste te halen uit elkaars verschillen en om de communautaire storm te verzachten.

Emilie Vermeiren en Frederiek Vermeulen zijn lid van cdH en CD&V en wonen elk aan een andere kant van de taalgrens. Ze schrijven dit artikel in eigen naam.

(nederlandse versie bovenaan)

Un Wallon qui travaille? Impossible!

Le Wallon habite Charleroi, plus attiré par la bière, les pots de vin et la malversation que par le travail. D’ailleurs, le travail il n’en a pas. C’est normal, le Wallon est incompétent. Le Wallon porte un noeud papillon et ne porte d’intérêt à la Flandre que pour le paiement de son allocation de chômage et les vacances à la mer durant lesquelles il parlera français.
Le flamand est entreprenant et habite à Anvers. Le flamand est réservé, distant et va dormir tôt et se lève tôt car le flamand travaille. Le flamand est flamingant, va le dimanche à la messe et brandit son drapeau à la tour de l’Yser et est, faut-il le rappeler, raciste. Le flamand est courageux mais terne, froid, sans humour et obsédé par les chiffres. Le flamand parle parfaitement français mais refuse de le faire à Bruxelles.
Les Germanophones? C’est quoi?

Est-ce une vision stéréotypée? Ces images sont véhiculées constamment à l’égard de l’autre communauté dans les médias, à l’école, dans les conversations… Mais qui a des connaissances de l’autre côté de la frontière linguistique? Très peu de personnes. Le constat est simple : on ne se connaît pas. Cela renforce l’appel à des stéréotypes. Comment prendre une décision sensée dans laquelle interviendrait le jugement envers l’autre communauté sur base d’une réalité méconnue? Comment peut-on affirmer que l’efficacité même de nos institutions ne s’en retrouvent pas influencée?

Dans le souci d’améliorer l’efficacité de la gouvernance et de se concentrer sur les défis de la société, il s’agit d’assurer une plus grande cohésion au sein de la population, de retrouver une certaine stabilité dans notre pays, de mettre fin à tous ces stéréotypes. La nomination d’un Secrétaire d’Etat chargé de la coopération belge, attaché au Premier Ministre, semble primordial. Il devra promouvoir, favoriser et construire des ponts entre les communautés d’une part au niveau politique dans la prise de décisions et d’autre part au coeur même de la société par le biais de ses citoyens et de ses acteurs économiques, culturels, sportifs…
Sa première mission est de veiller à favoriser les accords de coopération. Il ne s’agit pas pour le Secrétaire d’Etat de s’immiscer dans la prise de décisions des Régions et des Communautés étant donné que le Gouvernement fédéral ne dispose d’aucune suprématie. Son rôle consiste à stimuler la coopération intercommunautaire en invitant les Ministres régionaux et communautaires à s’entretenir régulièrement. Le dessein est d’automatiser la réflexion quant à la plus-value ou non d’une coopération avec l’autre Communauté ou Région à propos d’un projet déterminé.
La deuxième mission du Secrétaire d’Etat est de promouvoir des événements où Francophones, Germanophones et Néerlandophones se rencontreraient, échangeraient, s’ouvriraient à la culture des autres communautés. Il s’agit par exemple de renforcer, pour ne pas dire reconstruire, les coopérations culturelles qui peuvent favoriser les échanges musicaux, musées, scolaires…

Afin qu’un tel projet puisse rencontrer le succès escompté, il faut agir également à deux autres niveaux : les institutions francophones et la périodicité des élections.
En ce qui concerne les institutions francophones, il s’agit de parvenir à les simplifier et de la sorte, rationaliser l’octroi de compétences. Il semble évident qu’une matière comme l’emploi soit liée à la politique de la formation et de l’enseignement. Il s’agit dès lors de nommer des « super Ministres » à la tête de compétences recoupant si nécessaire des matières tant régionales que communautaires. Cela permettra d’avoir une vision plus globale des problèmes, des décisions plus cohérentes mais également, de réduire le nombre de Ministres à inviter pour former des accords de coopération sur un projet spécifique. Ce choix de tendre vers une structure plus optimale appartient uniquement aux acteurs politiques francophones.
Quant à la périodicité des élections, il s’agit de diminuer leur nombre et de différencier les élections régionales et fédérales en refusant aux candidats de se présenter en même temps à ces deux élections. Il s’agit pour la classe politique de ne plus se retrouver quasi annuellement en campagne électorale. Cela permettra aux Ministres d’avoir plus de temps à consacrer à leur politique et par conséquent à l’analyse de la plus-value d’une coopération sur certains projets avec un Ministre d’une autre communauté.

La nomination d’un secrétaire d’Etat chargé de la coopération belge n’engendrera pas « plus de Belgique » ou « moins de Belgique » mais augmentera l’efficacité et la cohérence de nos politiques, permettra de tirer profit des spécificités propres de chaque communauté et d’adoucir le climat intercommunautaire.

Emilie Vermeiren et Frederiek Vermeulen sont membre du cdH et CD&V. Chacun habitant d’un côté de la frontière linguistique et écrivent en leur nom propre.

h1

Queen of England

juli 9, 2008

Ho Ho Queen of England, hold your horses! Alhoewel ze toch al op ‘t internet gedropt is blijft deze blog in mijn gedachten nog steeds off line en moet je de komende tijd nog niet al te veel actie verwachten tot alles wat verder op punt kan worden gesteld.

Frederiek

h1

Objectief

juli 9, 2008

De een is bijziend, de ander heeft aambeien, nog een ander hangborsten, maar allen willen wij objectief oordelen.

Bob Willems – Lichtgevoelig monster

h1

Staatsschuld

juni 25, 2008

De Wetstraat heeft nog minder redenen om zich zorgen te maken. Het was niet zonder trots dat Didier Reynders gisteren bekend maakte dat het met de staatsschuld de goede richting uitgaat. Werd Guy Mathot destijds nog op hoongelach onthaald toen hij beweerde dat de schuld vanzelf gekomen was en vanzelf zou verdwijnen, Didier Reynders wordt alom gefeliciteerd. Alles is goed om de idee te verspreiden dat het land klaar is voor een volgende crisis. Het land lijkt immers nog nooit zo goed bestuurd als in de periodes zonder regering.

In schril contrast met de berichten alsof de staatsschuld de laatste jaren als sneeuw voor de zon gesmolten zou zijn, blijken de werkelijke cijfers niet hoopgevend te zijn.

Gewoonlijk wordt de staatsschuld uitgedrukt als percentage van het BBP, het bruto binnenlands product – de totale waarde van alle goederen en diensten die gedurende één jaar in het land worden geproduceerd. Op deze manier bereikte de schuld een hoogtepunt in 1993 met 137,9% van het BBP om tien jaar later te zakken onder de psychologische grens van 100%.

Op dit ogenblik schommelt de schuld rond 84% van het BBP. Maar wat als de jaarlijkse groei van het BBP het percentage meer heeft doen zakken dan een daadwerkelijke aflossing van de schuld? Als we met z’n allen meer gaan produceren stijgt het BBP, en lijkt de waarde van de schuld te zakken.

Terwijl de afgelopen jaren geen schuld werd afbetaald klopt de regering zich maar al te graag (onterecht) op de borst voor deze verwezenlijking.

De Belgische staatsschuld noteert nu 290,8 miljard euro. Wat meer is dan in 2007. Dat is, om het nog tastbaarder te maken, meer dan één miljoen Belgische frank schuld per inwoner. Kinderen inbegrepen.

En omdat lenen geld kost, betalen we met z’n allen jaarlijks bijna meer interest op de schuld af dan we uitgeven aan de sociale zekerheid en de pensioenen samen.

De jaarlijkse kost van de schuld is 8 keer hoger dan de middelen beschikbaar voor justitie. Er mag misschien geen eensgezindheid zijn over de ideale grootte van de schuld, zeker is dat zonder afbetaling van de schuld de rentelasten elk jaar blijven wegen en de marge voor nieuw beleid beperkt wordt. De beste manier om de uitbetaling van de pensioenen te verzekeren of om de inwoners van Kuregem een adequate justitie te beloven is de schuld afbouwen. Nu meteen.

Schuld afbouwen, betekent minder beleidsmarge voor politici en, volgens hen, minder populariteit. Het is dan ook makkelijker om de problemen door te schuiven naar de toekomst. Tot ons binnenkort de vergrijzing staat te wachten. Maar vergrijzing betekent niet alleen een toename van de uit te betalen pensioenen en sociale zekerheid. Vergrijzing betekent ook een kleinere actieve bevolking, minder mensen om de kosten te dragen én de nood aan een doortastend economisch beleid, met een kleiner budget.

Er is nog veel werk aan de winkel om de Wetstraat van deze uitdaging te overtuigen. Zonder bijkomende inspanningen zullen jongeren van vandaag binnenkort de rekening betalen voor het non-beleid van de afgelopen jaren.

Misschien moeten jongeren zich ook wat meer zorgen beginnen maken en hun stem laten horen in het debat rond vergrijzing. Een debat dat zich al te vaak beperkt tot pensioenen en het toenemend aantal senioren.

Het wordt tijd dat jongeren beseffen dat niet alleen de toekomst voor hen is, maar ook de financiering ervan.

h1

Een Europese Unie met eigen middelen

juni 22, 2008

Door het toekennen van echte belastingsbevoegdheid aan de EU, kan ze pas echt een eigen beleid voeren. Door het overhevelen van nationale belastingen zoals de vennootschapsbelasting, kan een verhoging van de belastingdruk worden voorkomen.

Om goed te besturen, heeft elke overheid nood aan financiële middelen. Vijftig jaar na haar oprichting zijn de opdrachten van de Europese Unie sterk toegenomen, maar haar financiering gebeurt nog steeds op dezelfde manier als bij haar ontstaan.

Een van de belangrijkste taken van de Europese Raad is het bepalen van het Europese budget. Op die manier heeft de Raad een stevige vinger in de pap bij het bepalen van de middelen waarover de Europese Commissie en de andere instellingen beschikken.

Elke begrotingsronde trachten lidstaten hun positie van nettobetaler om te buigen naar die van netto-ontvanger. Op die manier hopen ze meer Europese projectsubsidies te ontvangen, dan dat ze betalen voor de werking van de Europese Unie. Vooral de Britse, maar ook de Nederlandse en Oost-Europese regeringen voeren enorme gevechten om hun bijdrages in te perken. Deze houding van de nationale regeringen is niet enkel te wijten aan de bekommernis om de binnenlandse begroting te doen kloppen. Landen die moeilijk doen over hun jaarlijkse bijdrage aan de EU, willen vaak ook de EU beperken tot een vrijhandelszone eerder dan te evolueren naar een echte federale staat. Een gebrek aan middelen staat immers garant voor een beperkt Europees beleid. Een overheid zonder geld is de facto begrensd in haar mogelijkheden. Om deze vijfjaarlijkse impasse te voorkomen en als garantie voor een sterker Europees beleid, zou de Europese Commissie een echte belastingbevoegdheid moeten krijgen.

Door het overhevelen van een nationale belasting, vermijden we dat de belastingdruk voor de burgers stijgt. Een Europese vennootschapsbelasting zou zelfs in de plaats kunnen komen van een deel van of van een volledige nationale bijdrage.

De vennootschapsbelasting sluit immers nauw aan bij de huidige bevoegdheden van de EU. Bovendien is de hoogte van de vennootschapsbelasting vaak gelijk aan de bijdrage die de lidstaten nu betalen aan de EU. Ook zou het europeaniseren van de vennootschapsbelasting een einde maken aan de competitie tussen de verschillende lidstaten om bedrijven te overtuigen hun zetel of productie te verhuizen. Door de concurrentie wordt permanent een negatieve belastingdruk gecreëerd. Nog een voordeel is dat de steeds groter wordende spanning tussen het (Belgisch) boekhoud- en fiscaal recht dan beslecht zou worden door beiden definitief van elkaar te ontkoppelen. Dit is nu al het geval in een meerderheid van lidstaten, en heeft als voordeel dat bedrijven slechts eenmaal een jaarrekening hoeven op te stellen.

Een eigen Europese fiscaliteit is niet enkel goed voor de organisatie van de Europese economie. Het zorgt er ook voor dat de Europese instellingen eindelijk een beleid kunnen voeren voor de burgers, en niet langer schatplichtig zijn aan hun broodheren, de nationale overheden. No representation without taxation?

h1

Als het beleid seks mist

juni 22, 2008

Elke dag krijgen in ons land 3 mensen te horen dat ze seropositief zijn. Jaarlijks duizend mensen voor wie de wereld plots stil blijft staan. Daarvoor de ogen sluiten, is kortzichtig en onverantwoord. Terwijl het preventiebeleid de laatste jaren achterwege blijft, stijgt het aantal opgelopen seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA’s) én de onwetendheid.

Meer dan de helft van de jongeren gaf onlangs in een onderzoek te kennen geen condoom te hebben gebruikt bij hun laatste los contact – seks zonder relatie. Binnen een relatie loopt dit op tot 85 procent bij meisjes en 58 procent bij jongens. Een steeds groter wordende groep mensen verkeert onterecht in de overtuiging dat AIDS behandeld kan worden, en dat één keer zonder condoom wel niet al te erg is. De verkoop van condooms kent in ons land de laatste jaren een terugval (tot 7 procent per jaar) bij alle producenten.

Veilig vrijen wordt al te vaak alleen geassocieerd met preventie op school voor jongeren tussen 12 en 14 jaar. Zij vormen een belangrijke doelgroep die niet in vraag moet worden gesteld. Maar er is een dringende nood aan nieuwe algemene campagnes om het onderwerp opnieuw onder de aandacht te brengen en bespreekbaar te maken. In Vlaanderen is het preventiebeleid hoofdzakelijk in handen van SENSOA, dat zich de laatste tijd steeds defensiever opstelt. SENSOA is een samenwerking van verschillende verenigingen, die kan rekenen op de steun van de Vlaamse overheid.

Het was Inge Vervotte (CD&V) die als Vlaams minister van Gezondheidsbeleid het beleid voor de periode 2004-2009 moest uittekenen. Het is algemeen geweten dat voor Vervotte mensen aanzetten tot veilig vrijen geen prioriteit was. De minister richtte zich prioritair op specifieke doelgroepen (ondermeer via het glossy gaymagazine Bend), en rekende voor (nieuwe) initiatieven volledig op SENSOA. In het beleidsplan preventief gezondheidsbeleid van haar opvolger Steven Vanackere was een preventiebeleid voor seksueel overdraagbare aandoeningen of HIV ook al niet het vermelden waard.

Doelgroepen
Het doelgroepenbeleid is een goed initiatief dat toelaat zich beter te richten op bepaalde risicogroepen. Het stopzetten ervan zou zonde zijn. Wel moet de samenwerking met andere organisaties zoals prostitutie, straathoekwerkers, homosauna’s… geïntensiveerd worden.

Het doelgroepenbeleid kan wel als gevolg hebben dat andere groepen helemaal worden vergeten (zoals studenten). Of dat de informatie zich teveel beperkt tot een aantal SOA’s, en dat anderen helemaal vergeten worden. Zo blijkt de kennis van HIV bij jongeren al bij al nog mee te vallen, maar is de kennis over andere SOA’s zeer beperkt.

43 procent van de jongeren geeft aan dat de reden voor het niet gebruiken van een condoom ligt bij het niet bij de hand hebben, 37 procent was onder invloed van drank of drugs, en 21 procent had er simpelweg niet aan gedacht! Grootschalige campagnes kunnen veilig vrijen niet alleen bespreekbaar maken. Ze kunnen ook helpen om de schroom te overwinnen om condooms te kopen, of om hulp te zoeken. Uit onderzoek van de Nederlandse Schörer-Stichting blijkt dat jongeren die niet in de stad wonen niet alleen minder kennis hebben over SOA’s, maar ook minder over seks spreken en het moeilijker vinden om condooms te kopen. Extra middelen voor preventie kunnen via de goede werken van de Nationale Loterij worden gevonden.

Bij testen op SOA’s wordt het nog erger. Testen bevinden zich op de grens tussen het preventieve en curatieve gezondheidsbeleid, en dus tussen de gemeenschappen en de federale overheid. Niet alleen is de kennis van andere SOA dan HIV ontoereikend, heel wat jongeren durven de stap naar de dokter niet zetten. Omdat voor heel wat mensen een bezoek aan de huisarts te gevoelig ligt, moet geïnvesteerd worden in één centrum per provincie waar mensen enkele uren per week terecht kunnen bij een dokter (een veneroloog, een specialist in geslachtsziektes). Brussel kent reeds zo’n centrum, het Elisa-centrum, waar men terecht kan voor een anonieme en gratis HIV-test. Bovendien moet bij elk bezoek aan de huisarts of ziekenhuis aan de verschillende doelgroepen automatisch een test worden voorgesteld.

Brussel
Brussel mag daarbij niet de rekening betalen van de institutionele woestenij van bepaalde staatshervormingen. Het preventieve gezondheidsbeleid is een bevoegdheid van de gemeenschappen terwijl de gemeenschapscommissies aanvullende normen kunnen vastleggen ten aanzien van instellingen, en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie ten aanzien van personen mits deze de seksuele gezondheid van beide gemeenschappen aanbelangt.

De Nederlandstalige Brusselse politici moeten dan ook toegeven dat in de hoofdstad een beperkt preventiebeleid wordt gevoerd. De beperkte acties die door Brigitte Grouwels (CD&V) worden georganiseerd, richten zich vooral op mensen bij wie de ziekte reeds uitgebroken is. De geslotenheid en beperkte informatie van de welzijns- en gezondheidsraad doet vermoeden dat er niet al te veel zal gebeuren. Dat de taal der liefde universeler is dan het Frans en het Nederlands, zou Brussel moeten aanzetten om gemeenschappelijke acties op poten te zetten. Nog beter is het in overweging nemen om het preventieve gezondheidsbeleid op bepaalde gebieden te herfederaliseren. Gezondheidsbeleid is niet alleen universeel, ze is ook nauw verbonden met volksgezondheid, en steeds meer, met het grootstedenbeleid.

Als het herfederaliseren van een bevoegdheid om mensen echt te helpen dan toch zo gevoelig ligt in een partij als CD&V, moet dringend werk worden gemaakt van een samenwerkingsakkoord ‘seksuele gezondheid’ tussen alle gemeenschappen. Kennis en middelen zijn nog te veel verspreid, hoewel dematerie toch zo belangrijk is.

h1

Leuven studentenstad?

juni 22, 2008

speech ter gelegenheid van de opening van het academiejaar van de Katholieke Universiteit Leuven academiejaar 2006-2007

Beste studenten
Beste niet-studenten

Leuven heeft een brede waaier aan troeven in handen, waarvan niet het minst de universiteit en de hogescholen die hier permanent resideren. Bovendien is het een betrekkelijk kleine stad die niet de problemen en overlast heeft waar een grootstad steevast wél mee kampt. Leuven heeft alles in zich om dé stad te zijn waar studenten zich ook burgers voelen, en waar burgers zich aangetrokken voelen tot de universiteit.

Wie echter naar de Leuvense realiteit kijkt, ziet twee steden. Er is de stad Leuven die geleid wordt vanuit het stadhuis op de Grote Markt en er is de K.U.Leuven en de hogescholen, een parallelle stad met een eigen stadhuis, het rectoraat, in de Naamsestraat. Elk hebben ze hun eigen diensten en hiërarchie en bieden ze onderdak aan talrijke eigen verenigingen die een bonte waaier aan activiteiten organiseren.

Beide steden hebben dus zeker hun eigen kracht, maar ook een geheel eigen kalender, en vaak zelfs gewoonweg eigen regels. Of tenminste: niet altijd worden voor iedereen dezelfde regels gehanteerd. Bij het organiseren van Leuven Kermis, die de maand september vrolijk opvult, wordt op geen vierkante meter of decibel te veel gekeken. Wekenlang overheersen wanorde, afval en muzak verschillende delen van de stad. Dat is leuk, want kermissen brengen plezier en ze brengen mensen bij elkaar. Maar dat is ook vreemd, want talrijk zijn de regeltjes en verplichtingen waaraan de studenten zich moeten houden bij het organiseren van evenementen als de 24-urenloop waar op het sportkot de muziekknop moet worden dichtgedraaid om 10u. ’s avonds. Er zijn in de laatste jaren tientallen voorbeelden te vinden waarbij aan studentenverenigingen vergunningen werden geweigerd en de stad Leuven voor zichzelf of voor een van haar Leuvense verenigingen een uitzondering op diezelfde regels toestond.

Naast dit probleem van inconsequentie is er ook een communicatieprobleem tussen de verschillende partijen van het sociale leven in Leuven. Er is namelijk geen structureel gebrek aan overleg; er is een gebrek aan structureel overleg. Een gemeenschappelijke visie over hoe de stad er binnen x-aantal jaren zal moeten uitzien en welke rol de studenten daarin krijgen is er gewoonweg niet, of beperkt zich hoogstens tot een paar summiere prefabzinnetjes in lokale verkiezingsblaadjes. Kenmerkend is dat de studenten amper, om niet te zeggen nooit, op de gemeenteraad worden gehoord als het gaat om student-gerelateerde zaken. Als men het over de studenten heeft, vindt men het blijkbaar niet nodig de natuurlijke expertise van henzelf, van ons, te horen. Ook op het vlak van samenwerking komt men niet verder dan occasionele samenwerkingsverbanden zoals de veelbelovende mobiliteitsenquête en de hopelijk daaruit voortvloeiende acties.

Samenwerking tussen studenten en de stad ontbreekt natuurlijk niet volledig: zo organiseert LOKO het Buurtfeest, samen met de Stad Leuven. De gedachte daarachter is de volkswijsheid ”beter een goede buur dan een verre vriend” door studenten en Leuvenaars samen te laten feesten. De verre vrienden van de Stad Leuven, door LOKO aangezocht voor eventuele ondersteuning van dit gezamenlijk project, vonden naar eigen zeggen na lang zoeken toch een bijdrage: driehonderd keer tien gram chips en welgeteld drie kilo nootjes. Drie kilo. Ter uwer informatie: er zijn dertigduizend studenten in Leuven en drie keer zo veel inwoners. Drie kilo nootjes, beste vrienden, zijn peanuts.

De kern van de problemen bevindt zich natuurlijk op een hoger niveau: de top van de stad en die van de universiteit. Mocht de Leuvense burgervader de tijd die hij spendeert aan het opdraven in allerlei dag- en weekbladen om zijn mening te spuien over God-weet-wat-allemaal steken in overleg met de universiteit en de studenten, dan zaten we op rozen. Zo ook met rector Vervenne: die verklaart het overlegmodel als heilig middel op beleidsvlak, praat zo nodig met de paus hemzelve, maar vindt blijkbaar de weg niet naar het stadhuis om met durf en toekomstgerichtheid met burgemeester Tobback samen te zitten.

Ach, geacht publiek, steen en been klagen is geen gave. Maar dit is geen storm in een glas water; er zijn in de praktijk problemen van wezenlijk belang waarmee de universiteitsstad Leuven kampt.

Ten eerste is er het imago van Leuven als studentenstad. Dat is er momenteel ronduit belabberd aan toe. Veel te vaak komt men met negatieve berichtgeving naar buiten over de Leuvense studenten en de universiteit, en veel te vaak is dat ook de enige berichtgeving over de stad die de wereld wordt ingestuurd. Natuurlijk draait deze kwestie om perceptie en is er bij het stadsbestuur veel meer goodwill dan het lijkt uit te stralen. Maar die perceptie is meestal het enige dat men heeft om zich een mening te vormen, om een beeld te hebben van die stad aan de Dijle. En wie heeft er nu baat bij dat dat een slecht beeld zou zijn? De K.U.Leuven zeker niet, net zomin als de stad Leuven, tenzij ze de studenten liever kwijt dan rijk is.

Voorts is er de kotcontrole: een inspectie van de Leuvense koten, die de facto compleet ontbreekt. De Stad Leuven en de K.U.Leuven nemen wel kleine initiatieven, maar blijven elk aan hun kant staan. Zoals het er nu aan toe gaat, kan het de stad blijkbaar maar matig interesseren in welke toestand de koten zich bevinden op haar grondgebied. En de universiteit onderneemt hoegenaamd niets om de stad daartoe aan te zetten. Let wel: de reglementering van de koten is op stadsniveau perfect in orde – men is uitstekend ingedekt. Het is het doen naleven van die regels dat pertinent ontbreekt. Er worden nochtans wel degelijk kotbelastingen betaald in Leuven; kan men die niet deels gebruiken voor het inspecteren van de koten?

Ook het gebrek aan een volwaardige studentenschepen is een majeur probleem. Op dit ogenblik is studentenbeleid slechts één van de acht bevoegdheden van de zevende schepen. Men kan van deze schepen onmogelijk verwachten dat ze, gebukt onder het pakket van haar andere bevoegdheden, voldoende voeling houdt met de studentengemeenschap en voldoende tijd heeft om met hen naar oplossingen te zoeken voor de bestaande problemen.

Dertigduizend studenten zijn niet niets. Er zijn genoeg steden in Vlaanderen die minder inwoners hebben maar over een eigen schepencollege beschikken. Onze eis kan dus niet te veel gevraagd zijn. Wij vragen een schepen die zich uitsluitend op studenten toelegt, iemand die zich niet enkel bezighoudt met brandjesblusserij maar de zaken bij de kern aanpakt.

Wij kunnen niet anders dan eisen dat stad, studenten en universiteit de dialoog aangaan, want het is hoognodig dat we sleutelen aan één visie op de toekomst van Leuven als volwaardige studentenstad. Het is tijd dat er niet alleen oprecht geluisterd wordt naar de student, maar dat er ook echt rekening mee wordt gehouden. Of geven de stad en de universiteit pas gehoor aan onze bezorgdheid, juist omwille van die stad en die universiteit, als we het stadhuis of het rectoraat bezetten, of wanneer we kasseistenen in de hand nemen?

Wij nodigen hierbij dan ook graag het nieuwe stadsbestuur uit om na de verkiezingen samen met het bestuur van de universiteit bij ons in de ’s Meiersstraat samen te zitten om na te gaan hoe we door het op elkaar afstemmen van de verschillende diensten en eventueel door het nemen van nieuwe initiatieven een oplossing kunnen bieden voor de huidige problemen, zoals het gebrek aan kotcontrole en de aanhoudende negatieve berichtgeving in de media.

En omdat in de Vlaamse vergadercultuur praten zonder eten zoiets is als een stad zonder inwoners, zullen wij wel zorgen voor de nodige versnaperingen: drie kilo nootjes. En zeg nu niet dat dat peanuts is.

Frederiek Vermeulen

Ter gelegenheid van de opening van
het academiejaar 2006-2007

h1

Over Ethiek en Vrije Markt

mei 26, 2008

In “Over Ethiek en Vrije Markt” [ DMK April 2008 ] hekelt Jeroen Vandenbroucke een aantal ontwikkelingen die hem moeilijk liggen. De vrije markt, die mensen keuzes geeft en mogelijkheden creëert, moet het ontgelden…

Een aantal feiten samen vormen een mooi verhaal, maar daarom nog niet de waarheid. Desalniettemin springen boude uitspraken “dat een wereldorde die gebaseerd is op een voortdurende strijd om internationale markten, geen duurzame vrede kan brengen” in het oog.Ik ben dan wel geen voorstander van een libertijns kapitalisme, het systeem van een – sociaal gecorrigeerde – vrijhandel heeft haar verdiensten.

Vrijhandel is in essentie gebaseerd op transacties: ze brengt in overeenstemming wat de ene kwijt wil met wat de ander vraagt. De aanbiedster overweegt op elk ogenblik wat zij wil krijgen van de vraagster om de ruil te beklinken. In tegenstelling tot wat velen denken berust deze afweging niet alleen op geld doch ook op sociale en ethische factoren…

De voorgestelde terugkeer naar een staat van perfecte autarkie is complete nonsens. Autarkie (waarbij een samenleving volledig op eigen middelen vertrouwt) komt vandaag de dag bijna alleen nog voor bij solitaire families in afgelegen bergachtige- of woestijngebieden. Wie niet langer auto’s wil importeren of citroenen wil eten – want die vinden we in België niet – weet wat haar te doen staat.

Nog erger is dat een systeem van autarkie of planeconomie mensen niet stimuleert om samen te werken of te vernieuwen, maar erger, eerder aanzet om militair in te grijpen. Autarkieën lokken oorlog uit want de eigen mensen hebben niet wat ze willen en anderen willen wat jij hebt terwijl je geen handel wil drijven.

Geen ander systeem dan dat van de vrije markt heeft eerder kunnen aantonen dat het mensen op weg naar vrede kan zetten. Het brengt mensen samen en laat hen kiezen wie ze willen zijn.

Maar niet alleen mensen krijgen kansen. Ook overheden (als algemeen belang en als actor) moeten kiezen tussen alternatieven. Overheden zijn misschien militair hebzuchtiger in hun samenwerking. Het probleem van de interstatelijke interdependentie is geen probleem van de vrije markt, maar van de internationale politiek. En van ons allemaal.

Met de zomer in zicht kan het voor sommigen een tip zijn. Na al die jaren nog steeds een aanrader: A. Smith (1789) An Inquiry Into the Nature and Causes of the Wealth of Nations.

Deze reactie verscheen in DMK [ Juni 2008 ]